Hoofdlijnen

Financiële hoofdlijnen

Vorig jaar schreven we dat de begroting 2021 onder een uniek gesternte tot stand kwam. Hoewel er sindsdien grote stappen gezet zijn in de bestrijding van de pandemie, is er nog geen sprake van een normale situatie. We moeten daarbij concluderen dat de onzekerheid voor wat betreft de gemeentelijke financiële positie aanhoudt. Enerzijds zien we een krachtig herstel van de economie, ook regionaal, krapte op de arbeidsmarkt en oplopende inflatie. Anderzijds hebben we op het moment van opstellen van deze begroting nog geen zicht op de uitkomsten van de coalitievorming in Den Haag en de beleidskeuzes die daarbij gemaakt worden, de uitkomsten van de CAO onderhandelingen voor gemeenten en de structurele impact van Corona op de gemeentelijke begroting.

De uitkomst van al deze onzekerheden is zeker niet bij voorbaat negatief te bestempelen. In de Voorjaarsnota gaven we al aan dat tegenover de financiële risico’s ook kansen staan. Op Rijksniveau lijkt erkenning te ontstaan voor de financiële problemen van gemeenten. Bovendien lijkt de herijking van het Gemeentefonds voor onze gemeente positief uit te pakken. Daarnaast heeft onze gemeente een gezonde financiële positie als gevolg van het gevoerde deugdelijke financiële beleid. De algemene reserve is op een goed niveau, de gesloten circuits hebben ieder hun eigen remweg waarmee een financiële impact op de algemene middelen wordt vermeden, het grondbedrijf rendeert goed, de woonlasten zijn relatief laag en er zijn altijd nog beleidskeuzes te maken.

In de Voorjaarsnota hebben we de conclusie getrokken dat we op termijn rekening moeten houden met nieuwe ombuigingen. Veel hangt daarbij af van de vraag of, en in welke mate, het Rijk gemeenten tegemoet komt. Op de volgende dossiers zijn wij in afwachting van een nieuw kabinet:

  • Jeugdzorg: Inmiddels heeft het Rijk de extra benodigde middelen voor Jeugdhulp voor 2022 toegezegd. Een besluit over structurele middelen wordt aan een nieuw kabinet gelaten. Ons uitgangspunt is hierbij dat de financiële problematiek van het sociaal domein binnen het eigen vierkant wordt opgelost; hetzij door extra rijksmiddelen, hetzij door beleidsmatige ingrepen.
  • Herijking gemeentefonds: er is inmiddels een nieuw verdeelmodel gepresenteerd. Op basis van berekeningen over 2019 lijken we voordeelgemeente te zijn. Zonder definitief besluit over doorvoering én actualisering van de gegevens naar 2023 – het jaar van invoering – mogen we hier nog geen rekening mee houden.
  • Opschalingskorting: de door het Rijk ingeboekte besparing die gerealiseerd zou moeten worden door gemeenten te laten fuseren staat nog steeds in de meerjarenraming van het Rijk. Dit terwijl het vergroten van de schaalgrootte van gemeenten inmiddels geen rijksbeleid meer is. Overigens is de gehele opschalingskorting nu opgenomen in onze eigen meerjarenraming 2023-2025.
  • Omgevingswet: de invoering van deze wet wordt steeds weer uitgesteld. Op dit moment lijkt invoering per 1 juli 2022 aan de orde. Ieder uitstel leidt tot extra kosten die op dit moment (nog) niet worden vergoed door het Rijk. Ook de eventuele structurele effecten zijn nog onzeker.

Verder zijn er nog dossiers die niet afhangen van de kabinetsvorming, maar wel financiële impact kunnen hebben:

  • Beschermd Wonen: voor de ggz-cliënten die zijn overgegaan naar de Wet langdurige zorg, is door het Rijk een bedrag uit de decentralisatie-uitkering genomen. Dit bedrag  is hoger dan het daadwerkelijk budget dat wij als centrumgemeente hieraan besteedden. Landelijk wordt opnieuw de afweging gemaakt of de uitname gebaseerd moet worden op werkelijke kosten om grote herverdelingseffecten te voorkomen. Tevens vindt er een nacalculatie op het overgedragen budget plaats op basis van het werkelijk aantal cliënten dat is overgegaan.
  • Abonnementstarief WMO: invoering van het abonnementstarief heeft een aanzuigende werking gehad en dito kostenverhoging. Het Rijksbeleid gericht op langer thuis wonen zorgt eveneens voor hogere kosten. De rijksmiddelen houden echter geen gelijke tred met deze ontwikkeling.
  • BUIG-budget: het voordeel dat onze gemeente realiseert op het BUIG-budget is op langere termijn niet houdbaar. Onze realisatiecijfers zijn de afgelopen jaren goed geweest in vergelijking met andere gemeenten. Dit zal effect hebben op de verdeling van het macrobudget. In eerste instantie vangen we dit risico op in de reserve FWI Inkomensdeel.
  • Algemene reserve en reserve screening: het streefniveau van de algemene reserve is 15% van de algemene uitkering. Deze streefwaarde werd in de jaarrekening 2020 niet gehaald. Als gevolg van de Coronamaatregelen die ook (deels) in 2021 golden, gaan we uit van een aanzienlijk nadeel als gevolg van gederfde inkomsten. Tenzij het Rijk net als in 2020 ruimhartig compenseert, zal dit een nadelig effect hebben op de stand van de algemene reserve. Anderzijds is de reserve screening niet langer noodzakelijk om de begroting 2022 sluitend te maken (zie onderstaand), waardoor een bedrag in die reserve resteert van € 5,8 miljoen.
  • CAO: op het moment van opstellen van deze begroting verkeren de CAO onderhandelingen in een impasse. Dit terwijl de huidige CAO afliep op 1 januari 2021. In deze begroting hebben we rekening gehouden met een loonstijging van 1,5% per 1 mei 2021 en nogmaals 1,5% per 1 januari 2022.

Op z’n vroegst aan het eind van dit jaar verwachten we meer duidelijkheid te hebben vanuit het Rijk.
De voortgang van de kabinetsformatie is hierbij cruciaal. Hoe langer dat proces blijft duren, hoe langer de onzekerheid op genoemde majeure dossiers voor gemeenten blijft bestaan. We kunnen niet uitsluiten dat bij de vorming van het nieuwe college, na de gemeenteraadsverkiezingen van komend jaar, we nog steeds met deze onzekerheden worden geconfronteerd.

Financieel beeld

Het financieel beeld ziet er als volgt uit (bedragen x € 1.000):

2022

2023

2024

2025

Uitkomst Begroting 2021

-383

-1.351

-3.104

-3.104

Inzet Reserve screening reserves en voorzieningen

383

Nieuwe taakstelling

1.351

3.104

3.104

Uitkomsten actualisatie Begroting 2021

-2.248

-2.232

-2.297

-2.297

Stand Voorjaarsnota

-2.248

-2.232

-2.297

-2.297

Begrotingsvoorbereiding 2022

2.651

629

2.260

-1.979

Vervallen inzet Reserve screening reserves en voorzieningen

-383

Bijstelling taakstelling

-

1.603

37

4.276

Concept uitkomst meerjarenbegroting

20

-

-

-

Totale taakstelling

-

2.954

3.141

7.380

De begroting 2022 resulteert in een klein overschot van € 20.000. Hiermee is, zoals eerder afgesproken, het restant van deze bestuursperiode sluitend en zijn ombuigingen op dit moment niet noodzakelijk. De verbetering ten opzichte van de stand Voorjaarsnota wordt met name veroorzaakt door het structureel positief saldo van het accres gemeentefonds en de loon- en prijsontwikkeling .

De meerjarenraming van de begroting 2021 sloot met een structurele taakstelling van € 3,1 miljoen. In de actualisatie is hier nog een bedrag van € 2,3 miljoen bijgekomen. Geraamd tekort dus € 5,4 miljoen in 2024. Ook hier geldt dat het positieve saldo van het accres gemeentefonds en de loon- en prijsontwikkeling leidt tot een verbetering van het resultaat. In dit geval ruim € 2 miljoen. Het tekort voor dat jaar daalt daarmee weer naar circa € 3,1 miljoen.

In 2025 is er sprake van een nadelige ontwikkeling van ca. € 4,2 miljoen ten opzichte van het tekort van € 3,1 miljoen in 2024. Deze ontwikkeling wordt met name veroorzaakt door het wegvallen van rendement van de belegde gelden (€ 1,9 miljoen), het laatste deel van de opschalingskorting (€ 1,2 miljoen) en de lasten tijdelijke huisvesting in verband met vernieuwbouw van basisschool Zuiderster in 2025. Deze laatste school is opgenomen in jaarschijf 2025 van het investeringsplan. Deze post van € 1,1 miljoen is eenmalig waardoor een positief effect ontstaat op het structurele beeld in 2026.

Incidenteel nieuw beleid
Op een tweetal specifieke beleidsterreinen willen we al in 2022 extra inzet te plegen, mede op aangeven van onze gemeenteraad. Het gaat om de inzet van extra BOA’s en intensivering van onze aanpak schulden en armoede. Op basis van de uitgangspunten die voor de begroting 2022 zijn geformuleerd betekent dit dat hiervoor specifieke dekking gevonden moet worden.
Ons college onderstreept het belang om het bereik van onze dienstverlening te vergroten op het gebied van schulden en armoede. Als er in 2021 incidentele middelen resteren door onderbesteding van de TONK-middelen dan wil het college deze inzetten als eenmalige dekking voor de benodigde € 110.000 in 2022. Zo is het mogelijk in 2022 de publiekscampagne te starten en het bereik te vergroten.
Ook voor 4 extra BOA’s in 2022 is incidenteel dekking gevonden. Wij stellen voor € 200.000 in te zetten van de niet bestede Rijksmiddelen Corona  2020 en daarnaast € 100.000 vanuit de ontvangen btw compensatiegelden 2012-2019 van de Taskforce RIEC binnen programma Veiligheid
Het college zal de voordelen melden in de Marap en verwerken in de jaarrekening.

Structuurfonds
In de Voorjaarnota 2022 hebben wij een integrale doorkijk gegeven van de projecten die momenteel op het Structuurfonds staan alsmede een inschatting van de beschikbare en toekomstige dekking. Op basis van de eerste ramingen is de verwachte ruimte binnen het structuurfonds ontoereikend voor alle projecten. Naar de opvatting van ons college is het daarom zeer gewenst om in de volgende bestuursperiode een prioritering aan te brengen bij de voorgenomen projecten op het structuurfonds. Juist in de komende jaren, is het van groot belang om primair in te zetten op projecten die het meeste bijdragen aan het herstel van de Bossche samenleving na de Coronacrisis. Daarbij is het ook verstandig te kijken bij welke projecten ook euro’s van andere overheden worden gelegd, waarmee dus een multipliereffect wordt bereikt op onze eigen middelen.

Wij leggen u tegelijkertijd met deze begroting een separaat raadsvoorstel voor om het project Bossche Stadsdelta als nieuw project op te nemen op het Structuurfonds.

Woonlasten
Een van de uitgangspunten van ons tarievenbeleid is dat de woonlasten in onze gemeente niet anders worden verhoogd dan met een inflatiecorrectie. Onder woonlasten worden in dit verband verstaan: OZB, afvalstoffenheffing en rioolheffing. Autonome kostenstijgingen rekenen bij de laatste twee heffingen wel mee.
Afhankelijk van de WOZ-waarde stijgen de woonlasten voor woningeigenaren met 1,75% tot 2,0%. De woonlasten voor huurders stijgen met 3%. Dat deze stijgingen boven de inflatiecorrectie liggen, komt doordat de hogere kosten van afvalinzameling als gevolg van meer restafval en grof huishoudelijk afval alsmede de lagere opbrengst voor oude kleding worden doorberekend in de afvalstoffenheffing. Wij merken hierbij op dat de totale woonlasten van onze gemeente tot de laagste in het land behoren.
De lokale lastendruk voor een bedrijf stijgt beperkt ten opzichte van 2021 met 1,14%.

Deze pagina is gebouwd op 09/27/2021 09:34:07 met de export van 09/23/2021 13:29:59